 |
 |
|
|
 |
 |
Sam van Musschenbroek
Het begin
Eduard Samuel Adriaan van Musschenbroek werd
op 25 augustus 1916 op een Brabantse boerderij geboren.
In 1929 verhuisde hij naar Hilversum, waar hij naar
het gymnasium ging. Sam groeide op een tot een sportieve
jongen die zeker niet bang uitgevallen was. Zo was
hij op een keer schaatsend het IJsselmeer overgestoken.
Zijn moeder, die blijkbaar nogal geschrokken was
van deze onderneming, vroeg hem wat hij gedaan zou
hebben als hij in een wak terechtgekomen was. “Nou
dan was ik eruit gekropen, ik had voor de zekerheid
een vork meegenomen,” antwoordde Sam. Hij interesseerde
zich ook nogal voor het verleden en vertelde graag
verhalen uit de Nederlandse geschiedenis aan jongere
kinderen. Eén van zijn lievelingsverhalen was het
verhaal van Jan van Schaffelaar.
Sam ging naar het gymnasium, want hij wilde graag
gaan studeren. In die periode vertelde hij eens
aan tafel dat hij wel wat voor een lidmaatschap
van de NSB voelde. De NSB
was de partij die grote bewondering had voor de
dingen die Hitler
in Duitsland deed. Zijn vader werd razend en een
knallende ruzie begon. Hierna werd er nooit meer
over gesproken.
Oorlog
In 1940 was Sam
in militaire dienst. Toen het Nederlandse
leger zich op 14 mei 1940 overgaf, reisde
hij naar Zeeland waar een Engels hulpleger
nog doorvocht. De Duitsers waren te sterk
en de Engelsen werden achteruit gedreven.
Sam kwam daardoor in Frankrijk terecht, waar
hij door de Duitsers gevangengenomen werd.
Met smoesjes wist hij zich eruit te redden.
Hij kon terugkeren naar Nederland en zijn
rechtenstudie aan de universiteit afmaken.
In Amsterdam
Aangezien hij een baan bij de gemeente Amsterdam
kon krijgen, ging hij daar wonen. Net zoals
de andere bewoners van onze hoofdstad was
Sam voortdurend getuige van het onrecht dat
de joden werd aangedaan. Zoals zo velen zal
hij vaak vervuld zijn geweest van machteloze
woede. |

Sam stapt op de fiets |
In het verzet
In 1943 kreeg Sam de kans waarop hij gewacht
had. Hij had zich bij de verzetsgroep van de beeldhouwer
Gerrit van der Veen aangesloten. Deze groep had
zich gespecialiseerd in het vervalsen van persoonsbewijzen.
Iedere Nederlander van 14 jaar of ouder moest dat
altijd bij zich dragen. In het persoonsbewijs stonden
je naam, adres en geboortedatum. Om de controle
te vergemakkelijken moest er ook een goed lijkende
pasfoto instaan en je vingerafdruk. Persoonsbewijzen
van joodse Nederlanders waren bovendien voorzien
van een grote J. Mocht iemand het document verdacht
vinden, dan waren de gegevens altijd te controleren
bij het bevolkingsregister.

Binnenkant van een persoonsbewijs |

Buitenkant van een persoonsbewijs |
Dit persoonsbewijs was moeilijk na te maken, maar
dat lukte de groep van Gerrit van der Veen steeds
beter. Er zaten dan ook veel kunstenaars bij. Verzetsstrijders
en onderduikers
konden de vervalsingen goed gebruiken. Als die onderduikers
joods waren, stond er natuurlijk geen J meer in
hun papieren. Om de vervalste persoonsbewijzen oncontroleerbaar
te maken, beraamde de verzetsgroep een aanslag op
het bevolkingsregister van Amsterdam. Dat register
bevond zich in een gebouw aan de Plantage Kerklaan,
naast de dierentuin Artis. Op 27 maart was het zo
ver. Ze verkleedden zich als politiemannen en konden
op die manier de bewaking uitschakelen. Vervolgens
stortten ze alle registratiekaarten op de vloer
en overgoten al dit papierwerk met een brandbare
stof. Nadat ze er vandoor gegaan waren, ontploften
een aantal tijdbommen en er ontstond brand. Jammer
genoeg ging maar een klein gedeelte (15%) in de
vlammen verloren.
Het doodvonnis
Natuurlijk waren de Duitsers woedend en ze loofden
een hoge beloning uit om op het spoor van de daders
te komen. Was het de beloning, of was het het slordige
geklets van mensen die graag wilden laten horen
dat ze er meer vanaf wisten? Waarschijnlijk een
combinatie van die twee. In ieder geval duurde het
niet lang totdat vrijwel de hele groep verraden
en gevangengenomen was. Alleen Gerrit van der Veen
wist nog even uit de handen van de Duitsers te blijven.
Drie maanden zat Sam vast in een cel met zijn handen
boven zijn hoofd geboeid. Toen begon zijn proces.
De afloop stond al vast. De Duitsers wilden een
streng voorbeeld stellen: de hele groep werd ter
dood veroordeeld. Op 30 juni 1943 werden de veroordeelden
naar de Euterpestraat (nu Gerrit van der Veenstraat)
gebracht.
Sam heeft nog als enige de kans gekregen om zijn
leven te redden, omdat een ver Duits familielid
(een generaal) een goed woordje voor hem gedaan
had. Toen hij samen met zijn makkers voor Rauter,
de leider van alle politieorganisaties in Nederland,
stond moest hij twee stappen naar voren doen en
kreeg te horen dat hij genade kon krijgen. Sam antwoordde:
“Elk pardon van Duitse zijde leg ik naast mij neer.”
In eenvoudiger Nederlands betekent dit: “Van een
Duitser wil ik geen genade krijgen.” Sam deed twee
stappen achteruit en stond weer tussen zijn vrienden
.... In de vroege ochtend van de volgende dag werd
hij samen met zijn makkers doodgeschoten in de duinen
van Overveen.
Wil je meer weten van Sam van Musschenbroek?
Klik dan hier.
Even nadenken ... |
 |
|
|
|
 |
 |
|